Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daalt de achterzijde met de bekerkraakbeenderen, en de stembanden worden — bij de grootere spanning die zij verkrijgen — iets uitgerekt, echter niet meer dan hoogstens 2 m.M.

Op een bepaald oogenblik schijnt het maximum van

F i g. 7. De stemspleet:

A: bij vorming van een lagen borsttoon.

B: bij vorming van een boogen borsttoon.

a: Adamsappel; b: 't eind der stippellijn wijst de grens aan tnsschen 't vliezig en 't kraakbeenig gedeelte.

spanning bereikt, en voor eiken volgenden hoogeren toon wordt nu het trillend gedeelte der stembanden verkort, doordat de bekerkraakbeenderen elkander naderen; zoodat de stemspleet verkort en tevens een weinig vernauwd wordt.

170. Behalve deze stand der stembanden is er nog een

tweede, die hooge tonen van anderen aard veroorzaakt. De randen der beide banden worden daarbij zóó stevig tegen elkander gedrukt, dat ze zelfs omkrullen — de zoogenaamde perssluiting — en alleen het voorste gedeelte vrij

Fig 8. De stemspleet tijdens trillen kan. Daarbij trut Clan ae

de vorming van een falsettoon band ook niet over zijn geheele

of hoofdstem-toon. , ,. , «_ , ■%.

a: Adamsappel. breedte, doch slechts over een

deel daarvan.

De tonen bij den eersten stand (fig. 7) voortgebracht, noemt men borsttonen; bij den tweeden stand (fig. 8) hebben

Sluiten