Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een brief van Dekker leest, aan Vosmaer, uit Wiesbaden 22 Sept. '74: „Non was toch zoo n lief kind, en van haar moeder zag ze nooit iets dan zachtheid. Maar Edu is bedorven door sedert z'n i2de jaar al zijn moeders cavalier en raadgever te zijn. Ik ben zeker dat-i nu bezig is mijn naam te exploiteeren tegen mij! Dit is verschrikkelijk. Juist hun heulen met vreemden heeft mij zoo geknakt, en in hun eigen nadeel natuurlijk! En dat nadeel wordt dan weer op mijn rekening gezet."

Zie, lezer! ik heb geen air aan te nemen, of ik al of niet iets te vergeven heb aan Multatuli; maar het spreekt van zelf, dat ik, die hem zoo hooggeacht en zoo innig liefgehad heb, soms verdriet had bij het lezen en herlezen van veel, van heel veel brieven, waarin ik hemzelven zijne daden zag vergoelijken; in weerwil van alles echter bleef mijne dankbaarheid, ja ook mijne sympathie, mijne liefde zelfs, laat ze dan zoo onredelijk zijn, als ze wil. Dat ellendige laatste citaat echter heeft mijn hart koud gemaakt — ik was mijne dankbaarheid kwijt en ik heb de pen boos weggeworpen. Wat hij daar aan Vosmaer schrijft, is gemeen. —

Sluiten