Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

enkele maal en zegt dan „met permissie". Poot noemt hij een rymelaar, op gezag van Busken Huet; — voor Staring heeft hij een waardeerend woord, om diens „Herdenking." — Bilderdijk verafschuwt hij, Hasebroek en Beets minacht hij, Da Costa laat hem koud, Potgieter schijnt hem geheel onbekend te zijn geweest, al weet ik, dat hij hem „een man met een verdraaid zieltje" noemde.

Zijn eigen verskunst is Tolliaansch — nooit is hij daarboven gekomen, dan misschien in het vers, dat hij te Natal maakte in '42 en later in Vorstenschool opnam, — doch, neen, ook met dat gedicht werd hij als dichter niet meer dan Tollens. De wonderbare bekoring der harmonische rythmische taalklanken heeft hij nooit gevoeld. — Regels als:

O Kerstnacht, schooner dan de dagen — Konstantijntje, 't zalig kijntje — Sal nimmermeer gebeuren mij dan enz. Het lied dat ik te klagen laat gaan — Dan beven amoureus de liefelijke winden — Ik ken de donkere nachten wel -—

De zee, de zee klotst voort enz.

Sluiten