Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

Het was een warm plekje, waar ik stond. lederen middag kwam de zon me kussen, en de zusjes gaven me water, soms wel een beetje te veel, maar dat doen de menschen wel meer, als ze veel van je houden, te veel geven. De zusjes keken dikwijls naar me, of ik goed groeide. Ze speelden altijd samen, meest huishoudentje en dan was Grietje altijd moedertje en Miesje kind. Ze hadden geen thee in de kleine kopjes, maar ze dronken er uit, alsof er thee in was en ze hadden plezier en vree.

Het plaatsje was maar een klein vierkant plekje tusschen grauwe schutting, op den grond hobbelige steenen, in de schutting een klein poortje.

Eiken middag een poos, nadat de zon al niet meer over de schutting heen kon, sprongen de zusjes door het poortje weg, net alsof iemand haar riep, maar ik hoorde niets dan stappen door een steegje. En dan kwam even later een groote, breede man met wild zwart haar door het poortje. Dan zat Miesje op zijn arm en de man zei tegen haar „mijn kleine prul." Hij zei het heel zacht.

Ik dacht niet, dat zoo'n sterke man zoo zacht praatte. Later merkte ik, dat hij dat alleen deed, als hij zei „kleine prul."

Maar soms was het, alsof met dien grooten man iets heel leelijks door het deurtje binnen kwam. Dan droeg hij Miesje niet, maar Grietje trok haar weg van haar vader.

Sluiten