Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als het te hard regent, hangen onze kopjes ook.

Als ik door het raam naar binnen keek, zag ik twee groene deuren open staan, die over dag altijd dicht waren geweest en de vrouw boog heel dikwijls voorover in die open deuren.

Haar rug scheen er niet zeer van te doen, want ze deed het zoo heel vaak en vlug. Misschien voelde ze het niet, zooals van de armen. Haar stem was veel zachter dan vroeger, maar ze hoefde ook nooit tegen het leelijke ding te praten, dat was weg. Op een morgen had ze lang voorover tusschen de deuren gestaan, ik zag aldoor haar krommen rug en toen kwam ze op eens naar mij toe, pakte me op en droeg me voorzichtig in de kamer. Daar zette ze me op een stoel, zoodat ik in een heel klein kamertje keek. Zooiets had ik nooit gezien, er lagen witte slap-volle zakken in en een dikke gebloemde lap. Op een van die witte zakken lag een meisje met haar hoofdje. Ik geloof, dat het Miesje was maar ze was o, zoo bleek. Dat kwam zeker, omdat de zon niet meer op haar scheen en het halfdonker was in dat kamertje. Bloemetjes worden bleek als ze in donker moeten groeien.

De groote man ging dadelijk, als hij thuis kwam naar het meisje en kuste haar nog veel vaker Dikwijls ging hij met een glas melk naar Miesje, want het was toch Miesje, die daar lag; de man noemde

haar kleine prul en dat zei hij niet tegen andere kinderen.

„Drink nog maar een beetje," vroeg hij dan en ik

Sluiten