Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met: „Later, later, als tante me niet meer noodig heeft."

De goede ziel, ze wist niet, dat ik me zoo zat te verbijten, ze was blind en mijn ongeduldig gezicht hinderde haar gelukkig niet. Mijn stem had ik beter onder bedwang, ik zou ook niet graag willen, dat de eenzame oude ziel geweten had alles wat ik dag aan dag verkropte. Ik ben óók alleen op de wereld, dus ik wist, wat het voor haar was.

Maar mijn hart was nooit in die peuterige geduldswerkjes en de klein-krenterige hofjespreciesheid.

Ik wilde er uit, in de ruimte om mijn kracht te gebruiken.

Verplegen was mijn ideaal. Als ik zat te naaien en de wijkzuster ging voorbij, draaide ik maar gauw het hoofd om en piekte door. Maar voor me zag ik ziekenzalen, arme onverpleegden in achterbuurten, ik zag het werk, dat riep om krachten. Ik haakte er naar te werken. Eindelijk is het gekomen; met de ambitie, die als opgestapeld lag in mij, die er uitbruiste, heb ik aangepakt en volhard.

Maar nu is het voor altijd weg, nu is het erger dan toen ik bij tante was, nu heb ik ook geen illusie om op te steunen.

Ik zal weer een „juf' moeten worden bij een oude dame om de krant voor te lezen, thee te schenken, verstelwerkjes te doen, planten blaadje voor blaadje af te wasschen. Dat kan ik nog doen, voor iets grooters deug ik niet."

Mien stond verbaasd te luisteren naar dien stroom

Sluiten