Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar riep een vriendelijke stem haar terug en zuster Mien sprong met den mantel nog half los haar door de open deur achterna.

„Maar Leen, denk je heusch, dat ik je alleen laat gaan. Ik mag toch wel mee, al namen we boven afscheid van elkaar?"

Lena trok Miens arm door den haren.

„Jij wel, graag, maar een van de anderen kan ik nu niet bij me hebben, ze wilden me allen wel wegbrengen. Ze zullen het wel heel koel van me vinden om het niet aan te nemen, evenals ze me altijd koud noemden, om dat ik niet in haar innige kringetjes haar in de armen vloog."

„Kom laat ze maar, ik begrijp je best; bij de „„voorproefzusters"" is het altijd zoo. Als ze maar eens werkelijk verpleegd hebben, dan wordt het leven haar te ernstig en te rijk om het op te moeten vullen met opgeschroefde liefdetuiterij en geteem. We gaan straks wel van elkaar, maar toch zusters!

Je nieuwe taak vraagt nog wel zooveel toewijding als die je op moest geven."

„Soms vraag ik me zelf wel eens af, Mien, of ik wel genoeg teederheid heb om zoo'n klein kindje te geven, wat het noodig heeft; of ik wat me in sommige zusters afstootte, niet juist noodig zal hebben. Ik kan niet zoo liefkoozen en pakken."

„Maar wel liefhebben en dat is maar wat je noodig zult hebben. De warmte, die in het hart is, straalt er ook uit. Ieder geeft wat in hem is, maar het karakter bepaalt den vorm, waarin men geeft."

Sluiten