Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind schrikte, ze hoorde papa bijna nooit zoo spreken. Ze zag even verbaasd op, maar klemde de lipjes vaster op elkaar, sloeg de oogjes neer „omdat die van paatje zoo in haar staken."

Basser stond op, zette Gerda van haar stoeltje om haar op weg te helpen, maar gebood toen even streng: „Gerda, raap het kroesje op."

Lena stond met ingehouden adem, ze had het kind wel willen dwingen, haar handje nemen en het kroesje er in drukken, omdat ze zag, dat het Basser pijn deed zijn kind te moeten dwingen. Maar het mocht niet, het kind moest immers zelve....

Het kleine stijve figuurtje verwoog niet; geen stapje kwam ze nader tot den beker, die omgevallen op het grind lag.

„Gerda, je moet het oprapen."

Lena hoorde in dien toon niet meer het strenge gebod, veel eer iets, dat smeekte en toch was het niet het gemoedelijk:

„Toe kindje, doe paatje nu geen verdriet." Ze voelde, dat het smeeken van heel diep kwam, waaide vader pijn voelde om zijn kind.

Ze was zich bijna niet meer meester, het bruiste in haar op van drift, ze drukte de handen om de stoelleuning als was ze bang, dat ze ze uit zou strekken om dat koppig willetje met geweld neer te drukken. Maar dat mocht niet, ze voelde zich driftig op het kind. Drift en geweld, mocht ze dat bij Gerda gebruiken? Ze klemde de tanden op elkaar, spande de spieren en wachtte angstig af.

Sluiten