Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straal kwam binnen vallen in de gewijde stemming van gedempt licht tusschen groote witte muurvlakken en hoog opgaande pilaren.

Mannen in zwart zondagsch laken, met bloote vlasbonte hoofden; rijen cornetten, waarvan de stijve plooistrook scherp wit afstak op donkere gladde jakruggen. Hier en daar tusschen de boerinnen een „juffer" met een hoed op. Enkele kinderen met uitstaande gesteven jurkjes en roosjes op de hoeden schreeuwden met schelle pronkkleuren tusschen het stemmig zwart der moeders.

Vooraan in de heerenbanken de dokter, „de meesters", de notaris en nog enkelen met overhemdjes aan en fantasiehoeden naast zich op de bank.

Lena liep door tot schuin naast de hooge ouderlingenbank met deftig dikke roodleeren boeken er op. Vriendelijk knikte ze haar buurvrouw goeden dag en boog met gesloten oogen even, haast onmerkbaar, het hoofd. Haar gebed was geen vorm, het was uit behoefte aan een heilig oor om te luisteren.

Het was de eerste preek, die ze hoorde na

ja, nadat op dat ééne moment iets in haar was opgescheurd, iets waaronder haar liefde sluimerend had gelegen. Ze zou niet meer onbevangen voor hem zitten. Ze zou Basser zien, niet den prediker; zijn stem hooren meer dan zijn woorden. Maar dat mocht immers niet, den zegen van zijn prediking zou het haar niet rooven; geen onheilige gedachten mochten haar hart vervullen.

Strijd 5

Sluiten