Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder het spreken en terwijl ze over den tuin staart naar de serre-ramen, die stil glimmen tusschen den rankenden wingerd, komt op eens een voorgevoel over haar van te moeten scheiden. Alsof haar oog niet lang van alles wat haar omgeeft en wat van haar, uit haar is, zal mogen genieten. De gedachten dwalen naar het gehuchtje op de heide. Haar ver beelding gaf haar steeds van al het nietgeziene, waarover haar gedachten gingen, een voorstelling, zoodat ze het zag. En als dan de werkelijkheid kwam, stond ze er niet onbevangen voor, maar moest vergelijken met haar gedachtegezicht.

Ze ziet zich zelf in de stijve pastorie, die groot en apart was tusschen lage huisjes, maar ze voelt in de plompe zwoegers uit de hutjes een hart kloppen, met het hare verwant en dat hart lijden in armoe. Ze ziet zich zelf en haar man gaan in die armoe om vervulling te brengen.

„Lies, waar peins je zoo over, dat je je man vergeet. Geef me nog een kopje."

„Och, 't is waar, ik zal inschenken. Ik was in Heiveld."

„Ik ook."

„Man, hebben we onze bezittingen van God gekregen alleen om er van te genieten in onbekrompenheid en veel op lijsten te teekenen? Hier in de stad is veel gebrek om in te voorzien, maar hier zijn ook velen, die geven. Heiveld is arm. Als God ons nu daar tot rentmeester wil stellen, om daar voor Hem Zijn zegeningen uit te deelen?"

Sluiten