Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of de moeder van het achtste een flauw vermoeden had van de grootheid van Elises liefde, dat ze die snoezige sokjes en mouwtjes voor anderen kon maken, ofschoon ze ze zoo gaarne onder handen had gehad met het innig verheugen op een eigen kindje, dat ze ze spoedig over het mollige lijfje zou trekken. Als hij haar zag peuteren aan dat kleine goedje, kwam er iets weemoedigs over hem, dat hem dwong haar met te meer teederheid te dragen door zijn liefde.

's Morgens had ze de bandjes ingeregen en laatste trensjes opgezet. Voldaan stapte ze met haar pakje heen. Een oploopje meest van vrouwen voor een der huisjes deed haar stilstaan.

„Toch geen ongeluk?" vroeg ze.

Een paar kinderen vlogen gillend de straat op, uit de open deur kwam boos schelden en vloeken.

„Wat is hier te doen," hoorde ze een vrouw vragen, die pas kwam aanloopen.

„Dat is mijn vader. Hij is weer aan 't uitrazen, antwoordde een der vluchtende jongens.

Elise kreeg een rilling en drong naar voren.

„Toe, laat me door," vroeg ze.

„Mensch ga er niet in, hij heeft een kwade dronk en als hij kinderjacht houdt, kan niemand hem baas."

„Het moet, laat me door!"

Er kwam ruimte, Elise glipte door, het huisje binnen.

Vlak om den hoek van het gangetje zat vrouw Jelles, neergezegen op den eemgen stoel, die nog stond. Over den vloer waren stoelen, kapotte kopjes,

Sluiten