Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze kreeg telkens wat van hen: een appel, een stuk koek of een groote zonnebloem om er de zaadpitten uit op te eten. Als ze langs het knollenveld kwamen, sprong één van hen over de sloot en trok een grooten knol voor haar op. De freule, die nog tien minuten verder woonde, maar ook in het dorp naar school ging, babbelde altijd met haar of vertelde haar prachtige sprookjes, als ze niet met het rijtuig ging, maar met de boerenkinderen familiaar in een rij liep. Met mooi weer verwachtte Anneke haar geregeld om half vijf, 's morgens miste ze haar dikwijls, omdat ze dan achter bezig was. Tusschen den middag bleef de freule in het dorp, Anneke zag haar zoo graag, ze had zoo'n vriendelijk gezicht en was altijd even keurig aangekleed en telkens weer anders. Op eens was ze begonnen Anneke goeden dag te zeggen. Dina had zeker verteld, hoe ze heette, want toen ze haar op het bankje zag zitten, had ze in eens geroepen: „Dag Anneke."

Anneke had er een kleur van gekregen en schuchter „Dag freule" gezegd. Zoo was het komen van de kinderen iets geworden om naar uit te zien. Het was nu al bij vijf, ze waren laat.

„Ann'ken," klonk moeders stem van den zolder.

„Jao, möed'r."

„Haal d'n sik efkes in 't hoes, maer hooi ne góed vaste."

„Jao, möed'r."

Anneke stapte naar het grasveld, schoof den ring van de pen, die in den grond was geslagen en trok

Sluiten