is toegevoegd aan uw favorieten.

Strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blanken gulden op tafel gegooid en gezegd: „Da's't begin." Hij had heel onverschillig gestapt met de handen in den zak, maar Anneke had toch wel gezien, hoe trotsch hij naar den gulden keek en toen Dika in de keuken kwam en vroeg: „Van wée is den guul'n?" voelde hij vol trots zich zelf, dat hij kon zeggen „van mii."

O, dat zij ook eens kon zeggen „dat is van mii." Niets was van haar, zij at voor niets uit den pot mee.

Dika legde den gulden in een kommetje op het kabinet en gaf hem een kwartje voor den eersten Zondag. Hij kocht sigaren en ging met nieuwe kameraads dampende naar het dorp. Vader vond hem „'n wèerbaar'n jong'n, datte nón al 'n guul'n op 't fabriek hadde."

En later kreeg hij opslag en werd zoo gaandeweg al een heele steun in het gezin, wat met de slechte oogstjaren dubbel van pas kwam. Hij groeide Teun over het hoofd en kreeg al een breeden stevigen rug. Anneke keek tegen zijn forsche lengte op.

Zijn boezeroens waren al op volslagen mansmaat, 't was een heele naai en hij sleet zoo veel. Telkens kwam hij met gescheurde kleeren thuis en dan was het maar: „Ann'ken, 'tis kapot, dat muste mii efkes naei'n." Ze mopperde vaak, dat hij niet wat beter op zijn goed paste.

„Asof ne iezermótte ') op ziene klèere kan pass'n," was dan het antwoord. „As 'k dat edaon hadde, dan

) Werkman op de ijzerfabriek.