Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kón 'k nón nog gin'n guul'n in 't hoes breng'n en nón he'k der toch al zestehalf."

Anneke zette zich dan maar weer aan het werk, al was het met een brommig gezicht en den volgenden morgen lag het boezeroen of de zware pilow broek weer klaar.

Dina was in een dienst gegaan, toen ze twaalf jaar was. Met een blauw katoenen jurk en witte schort, een bonte onder den arm, alles door Anneke genaaid, was ze vol eerzuchtig verlangen naar haar mevrouw gegaan. Veel verdiende ze nog wel niet, „maer 't was toch al veur de schöene." En wat kreeg ze lekker eten, eiken middag podding of rijst met bessensap. Anneke was eens bij haar in de keuken geweest en had van verbazing stom rond zitten kijken naar het prachtige fornuis met glimmende knoppen en banden en de geschuurde bakken en vormen, die blonken tegen den witten muur. Wat een verschil met de keuken van „Kiek in 'n esch," waar zij altijd zat. Het duurde niet lang, of Dina kreeg opslag, mocht zelf een hoed koopen en bracht stalen mee om een Zondagsche japon uit te zoeken. Ze verdiende alles zelf en Anneke kon het immers voor niets naaien. De steken door het mooie bruine goed waren haar wel eens zwaar gevallen.

Dat ze voor zich zelf ook eens een jurk mocht maken, die ze verdiend had, zelf verdiend en naar eigen zin gekozen. Ze had nog wel altijd kleeren om aan te trekken, maar zoo'n eigen jurk had ze nog nooit gehad. Dika bracht van de markt een

Sluiten