Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zelf had ze zoo iets gebeden over spijs en drank en zegen, maar dikwijls ook merkte ze, dat ze over heel iets anders had gedacht, als ze toe konden tasten, omdat vader de pet weer op zette.

Toen Gerrit zoo heel naar was, had ze wel schreiend geroepen: „o God, laat èm nich sterven," maar dat was meer een wanhopige uitroep in het wilde weg geweest dan een vragen aan God, die geven kon.

Gestreden tegen de zonde, die in haar was en die ze al duidelijker begon te zien, had ze niet. Ze had zich zelf laten gaan, zooals ze was, was ze. Ze schrok soms, als ze meende het dokterswagentje te hooren, want ze zou „neen" moeten zeggen, als Harte haar weer de groote vraag deed.

En toch kwam zoo vaak een innig verlangen in haar op naar dat wat Flossie had. Zelfs den kleinen zieken Gerard uit het boek, „die nooit een man zou worden" en niet kon spelen en leeren als andere jongens, die vooruit kwamen, maakte het gelukkig. Hij kon niets doen voor den Heer, maar droeg geduldig zijn zwak-zijn. Als een zaligheid kwam het besef over Anneke, dat de Heer in den hemel zelf haar liefhad; dat Hij, „die aer zöll'n emaakt hadde" er niet op lette, hoe anders ze was dan andere meisjes. En haar hart werd naar boven getrokken, naar Hem, van wie een stroom van warme liefde tot haar kwam en die haar had liefgehad ook toen ze stug en norsch, „een valsch wich" was; zelfs toen ze in het hutje Hem had gehaat.

Met schaamte dacht ze het in, hoe ze toen had

Sluiten