Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zökskes veur miene zuster, 'k Wol 't is perbeeren, maer 't wil nich. Móeder lacht mii oet, da'k zukke lechte zökskes maake veur 'n boerenkiend, maer 't stön èm zoo lief an de veutjes" en ze wees in het wagentje.

„Nu heeft hij blauwtjes aan, kan ik je helpen, dit is een gemakkelijk modelletje. Kijk, hier beginnen. Mevrouw trok het sokje uit en wees den loop van 't werk. Wil je het houden om af te kijken, tot ik weer eens kom. Broer komt wel op één sokje thuis."

Anneke breide den heelen middag, telkens hield ze haar werk naast het blauwe sokje. Ja, het werd goed, precies zoo, met ribbetjes over het voetje. En zoo werkte ze dag aan dag aan het lichte goedje, dat gemakkelijker naaide dan manskieeren en zoo werd van dag tot dag het verlangen grooter naar wat komen zou. Hoe meer stukjes af, hoe grooter het stapeltje, hoe nader de tijd, hoe meer Anneke ook vooruit leefde. De toekomst zou iets brengen, ook voor haar. Er was iets om naar uit te zien. En zooals de heks bij het weven der bruidssluiers spreuken prevelde en in de fijne mazen draden van smart en wee vlocht, zoo gleed van haar lippen over de kinderkleertjes de zegenende bede: „Och, dat toch all'ns göed mag gaon, dat 't gezoend mag wèen, een mensche as allemaole."

Op het plekje in het raamkozijn, waar zoolang het drankjesfleschje met zijn wit befje had gestaan, stond nu Anneke's naaidoosje weer. De dokter kwam eigenlijk alleen maar om te genieten van haar opknappen.

Sluiten