Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Naar buiten moest hij om in de breede borst, die zwol van jubelend geluk, de frissche nachtlucht op te halen; in de ruimte moest hij zich voelen omzijn uitbundig geluk te kunnen bergen. Anneke liep op kousen bedrijvig heen en weer om te wasschen en en weg te ruimen, haar pas behoedzaam vertragend, als ze in den hoek kwam, waar de vrouw met het half gekleede meisje zat. Telkens wierp ze een steelschen blik vol teederheid op het poppetje met stijve onhandige ledemaatjes, dat in den koesterenden gloed van de vuurmand lag. Even moest ze nog weer in de „heija" ') kijken. Diep wegschuilend achter dikke bonte kussens zag ze het kwastje van het bakkertje boven het bolletje uitsteken.

„En toch wisse wal góed, héelemaols góed?

„Jao wisse, gezoende kiender en zwaor ook veur

èvenoolders." 2)

„Zoo, gezoend en rech van lief en léed'n."

Juist had Ziene de mutsebandjes onder het kinnetje doorgestreken. Ze reikte het stijf ingepende poppetje aan Anneke over, die het met teeren schroom aannam en tegen zich aanvlijde.

„Nón, Ann'ken-meuie, 3) wat zegste der van," zei de „wiezemöe'r" lachend.

„Jao, meuie, dat bin 'k nón, Ziene. Wat 'n lééf

pöpken."

Daar kwam Harm weer binnen, verlangend om zijn schat te tasten. Ziene nam haastig het slapende ventje uit zijn wieg en Anneke wenkend om ook te

') wieg. *) tweelingen. 8) tante.

Sluiten