Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

variëteiten aangaat, hiervan heeft men er — deels ook bij de wilde — tot op heden de volgende waargenomen:

1. Blauwgrijze.

2. Staalblauwe

3. Bruinachtige, met of zonder teekening.

4. Met lichtere grondkleur en donkerder parelteekening en

5. Zuiver Witte.

Bij deze laatste variëteit is de grondkleur mat wit en is de parelteekening door een meer schitterend, intensiever wit aangegeven. Zij is door steeds voortgezette inteelt uit de vorige ontstaan. Zij zijn kleiner dan de andere soorten en, evenals alle Albino-vormen teerder, rustiger en vreedzamer, somwijlen totaal stom. Omdat zij zeldzaam voorkomen, staan zij hooger in prijs.

b. Het Kuifparelhoen ('Num'ula Crixtata) is afkomkomstig uit de landen aan de Goudkust van Afrika en is ook als gedomestiseerd bekend. Het onderscheidt zich ten eerste van het gewone parelhoen door zijn kopsieraad, dat uit een fluweel-zwarte veerenkuif, welke den bovenkop bedekt en boven de zijden van den kop en den snavel uitsteekt, bestaat, en ten tweede door zijn blauw zwarte, met zeer kleine, ronde of eiervormige lichte parels en ook de keellellen ontbreken. De naakte deelen van den kop en den bovenhals zijn lakrood, de onderhals donkerviolet, het oog donkerbruin, de snavel hoornkleurig, aan den wortel bruinachtig, de voet dotiker-aschgrauw, bijna zwart.

De bewoners van Zanzibar noemen dit parelhoen Khanga.

c. N u m i d a m i t r a t a P a 11. Van deze Zuid-Afrikaansehe soort berichtte Mej. Harder aan E. L. Layard, dat zij zich gemakkelijk laat temmen, sierlijker en grooter is dan de tamme, goed legt en broedt, met deze paart en door

Kalsheek, Fazanten. 9

Sluiten