Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE LEERKRING.

A. INLEIDING.

§ i. Oriënteering. Om te kunnen bepalen en uitdrukken in welke richting een dorp, eene stad, een heuvel zich ten opzichte van ons bevindt, moeten wij ons kunnen oriënteeren (letterlijk: het oosten vinden): wij moeten de hemelstreken kunnen aanwijzen.

Waar wij ook op de aardoppervlakte zijn, we overzien altijd slechts een deel daarvan. Is naar alle kanten ons uitzicht onbelemmerd, dan bevinden wij ons in het middelpunt van een cirkelvlak, welks omtrek daar ligt, waar de aardoppervlakte en het Horizon 'ieme'Kevve'f elkander schijnen te snijden. Dezen cirkelomtrek noemt men gezichteinder of horizon. Eene loodlijn, 's middags 0111 12 uur uit het middelpunt der Zon langs het hemelgewelf neergelaten op den horizon, snijdt dezen in het zuidpunt. Des avonds en des nachts kan de noord- of poolster op dezelfde wijze dienen 0111 het noordpunt te vinden, dat juist tegenover het zuidpunt in den horizon ligt. Tusschen beide en op gelijken afstand van beide ligt, wanneer men van liet zuidpunt naar rechts gaat, liet Hemel- oostpunt, en, als men naar links gaat, het weststreken. pUnt. Tusschen deze vier hemelstreken liggen het bos, Lcerb. L. en V., 4e druk. 1

Sluiten