Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door waterkeeringen (sluizen) van het zee- of rivierwater afgesloten, zoodat deze waterkeeringen, zoolang ze gesloten zijn, als 't ware deelen van de dijken vormen.

De binnendijks gelegen landen zijn door kaden in afzonderlijke deelen gescheiden. Deze deelen heeten polders. Iedere polder heeft een bepaald peil, waarop men den waterstand houdt. Uit de kanalen en slooten van een' polder wordt het water opgemalen door windwatermolens of stoomgemalen in de bovenaangeduide afgesloten wateren, die men boezems noemt. Alle polders, die hun water op een en denzelfden boezem uitslaan, noemt men gezamenlijk het gebied van dien boezem. Wanneer de waterstand van een' boezem niet hoog genoeg is om te kunnen loozen op eene rivier of op de zee, dus op het buitenwater, dan wordt het water uit den eenen boezem in een anderen, hooger gelegenen opgemalen. Eindelijk is dan het water hoog genoeg opgebracht, om het bij eb op het buitenwater door afwateringsluizen te loozen.

Dat deel van ons land, hetwelk alzoo kunstmatige waterloozing heeft, noemt men ons polderland.

§ 25. Onze groote rivieren. Door het polderland heen loopen tusschen dijken door de van het buitenland komende

rivieren Rijn en Maas.

De Rijn is bij zijne intrede binnen de Nederlandsche grenzen, bij Lobit, reeds bedijkt. Bij Pannerden vertakt hij zich in Waal en Rijn. De Waal is de hoofdtak. Zij neemt bij Loevestein de veel kleinere Maas op, die ten Z. van Maastricht het land is binnengekomen, doch met aanzienlijk verval tusschen hooge oevers doorstroomt tot Grave, waar zij voor het eerst bedijkt i^. Van Grave af is het verval van de Maas zeer gering. De vereeniging van Waal en Maas heet Merwede (slechts i/„, hiervan is Maaswater). Een deel van dit water gaat langs de Nieuwe Merwede naar het Hollandsch diep, een ander deel gaat als Oude Maas en Brielsche Maas en verder als Mond van de Maas in zee. De tweede tak, de Rijn, zendt bij Westervoort den ljsel naar het N., die bij Kampen eene delta vormt; de hoofdmond is hier het Keteldiep. De middelste tak gaat voorbij Arnhem naar het W., neemt bij Wijk-bij-Duurstede den

Sluiten