Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stallen en andere bijgebouwen, zijne torentransen en trapgevels. Wij gaan de eerste ophaalbrug over en komen op een smal voorplein met een wachttoren, die de tweede ophaalbrug dekt. Over deze brug en door eene zware poort, waarboven de wapens prijken der achtereenvolgende Heeren van Doorwerth, bereiken wij het binnenplein, veel ruimer dan het voorplein, begrensd door stallen en bijgebouwen en versierd door zware accacia's. Nogmaals treden wij eene ophaalbrug over en staan thans voor het eigenlijke slot, waarvan de toegang is versierd door steenen leeuwen, die wapenschilden vasthouden. Eenmaal daarbinnen zijnde, gevoelen wij ons beklemd door de verlatenheid van al die holle kamers, men zegt dat er wel tachtig zijn, grootere en kleinere vertrekken. De ridderzaal is er nog wel, maar weg is hare glorie. Geen portretten van voorvaderen, geen wapenrustingen, allerminst eenige gezelligheid in de vroeger bewoonde vertrekken wordt er meer gevonden. Daar zijn er waar de kraaien thans hunne nesten bouwen. Alleen de kapel, die betrekkelijk nieuw mag heeten, ziet er wel onderhouden uit.

Dit alles is in weinig woorden beschreven en een tocht door alle genoemde plaatsen is spoedig afgelegd, maar de bezoeker snelt er niet zoo doorheen. Hij verwijlt op elk punt, dat hem treft, op de pleinen en in de gebouwen, in den duisteren gevangenkelder en in de ruime zalen en grift zich den indruk, dien hij ontvangt, zoo diep Ilij kan in zijn geheugen. Hij stoffeert dat alles met de voorwerpen, die erbij behooren, met de personen vooral, die eenmaal binnen deze dikke muren hunne zekerheid en hunne geriefelijkheden vonden. Hoe gaarne zou hij als door een tooverslag dit geheel weder doen leven als hij dit maar kon, gelijk de prins, die de Schoone Slaapster na honderd jaren van rust kwam wekken. Hiertoe onmachtig en tevens bedenkende, dat wij toch die oude tijden niet weder terugwenschen, toen de Heeren van Doorwerth „het hooge en lage recht" bezaten en dus in hun gebied zelfs het doodvonnis over hunne hoorigen mochten uitspreken, verlaten wij door een poortje in den dikken muur van het binnenplein over eene vierde ophaalbrug het slot.

G. J. Vos in „Voorheen en Thans",

door G. J. Vos en Jacs. M. Vos.

hos , Leerb. L. en V., 4e druk.

4

Sluiten