is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der land- en volkenkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 31. De terreinsgesteldheid der eilanden. Het ge-

bergte van westelijk Achter-lndië zet zich over de Aiulaniaiu n en de Nicobaren door Soematra, over Java en de Kleine Soenda-eilanden voort, eerst als een ketengebergte, dat hiet en daar, vooral in de l'adangsche Bovenlanden en in West-Ja\a, hoogvlakten insluit. In deze ketenen en op de randen der hoogvlakten hebben zich vulkanen opgebouwd, soms ook, als in Oost-Java, verheffen zich deze uit de vlakte. De overgang \an het gebergte naar de kust wordt in de oosthelft van Soematra en op Börneo gevormd door terrassen, waarover rivieren naar zee stroomen, aan hare monden steeds bezig met een moerassig, woudrijk deltagebied uit te breiden. De bovenbedoelde vulkanenrij begrenst van Wetter af verder oostelijk in een boog de diepe Bandazee aan de zuid- en oostzijde. Naar de buitenzijde wordt deze boog door een tweeden boog van de waarschijnlijk niet-vulkanische Zuidoostereilanden \eigezeld. Nog verder oostelijk liggen de Kei- en Aroe-eilanden, noordelijk Boeroe en Cerani, alle waarschijnlijk niet vulkanisch. Vulkanisch zijn weder de .Wolukken, Celébes, de Sangiteilanden en de Philippijnen. De terreinsgesteldheid van de binnenlanden van Celébes en Börneo is nog slechts onvoldoende bekend; in meerdere of mindere mate ook die van vele der

kleinere eilanden.

§ 32. De bevolking. De vraag onbesproken latende, ot werkelijk Maleiers en Papoea's twee rassen zijn, Stammen. ^ we] twee stammen, oorspronkelijk tot eenzelfde ras behoorende, of dat misschien beter drie hoofdstammen moeten worden onderscheiden: de Bataksche (waartoe dan ook de Dajaks van Börneo moeten worden gerekend), de Maleische en de Papoesche, willen we hier slechts enkele stammen vermelden. De kustbewoners van Atjeh, waarmee we reeds zoovele jaren in strijd zijn en die slechts voor een deel zijn onderworpen; de Bataks, die in hunne afgeslotenheid ap de hooglanden van noordelijk Soematra zooveel eigenaardigs hebben behouden; de eigenlijke Maleiers ten Z. daarvan, die zich als kolonisten op de kusten van andere eilanden hebben gevestigd; de nog vrij wilde Koeboes ten N. van de Moesi;