Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verschil in luchtdruk op eene zekere afstandseenheid. (Barometrische gradiënt.) Hoe steiler de barometrische gradiënt, des te sterker is de wind. In de figuur op de vorige bladzijde geeft het aantal veertjes aan de pijltjes eenigermate de betrekkelijke sterkte van den luchtstroom aan.

Een enkel woord om de bovengenoemde afwijking van den wind naar rechts op het noordelijk, naar links op het zuidelijk halfrond eenigermate op te helderen. Wanneer een luchtstroom op het noordelijk halfrond begint te waaien juist in de richting van den meridiaan Z.-N., dan zal hij, steeds aan de eerst aangenomen richting zich houdende, op hoogere breedten gekomen, daar de meridianen snijden in eene richting, die naar ZW-NO. afwijkt, doordien de meridianen niet evenwijdig aan elkander loopen, maar naar de pool toe elkander naderen. De afwijking is hier naar rechts, ook, zooals men zal inzien, voor winden die oorspronkelijk N.-Z. waaien. Op het zuidelijk halfrond zal zij, 0111 gelijke redenen, naar links moeten plaats hebben. In denzelfden zin werkt het verschil in rotatie-snelheid bij alle punten op Aarde, op verschillende breedten gelegen. Een luchtdeeltje, poolwaarts zich bewegende, zal hij de rotatiesnelheid van punten op hoogere breedte vooruitkomen (bij de asbeweging der Aarde W.-O. derhalve uit den westhoek schijnen te komen, d. i. dus op het noordelijk halfrond naar rechts, op het zuidelijk naar links afwijken); een luchtstroom die in de richting naar den aequator gaat, zal bij de rotatie-snelheid daarentegen achterblijven: een noordenwind zal op 't noordelijk halfrond een noordoostenwind worden, een zuidenwind op 't zuidelijk halfrond een zuidoostenwind, enz.

§ 18. Een storm. Een zeer laag minimum trekt van rondom de lucht met kracht tot zich (steile barometrische gradiënt!): er ontstaat eene sterke cyklonale luchtbeweging, een storm, een orkaan, een cykloon. De toestroomende lucht waait niet rechtstreeks op het centrum aan, maar draait er om heen (wervelbeweging), stijgt in het centrale minimumgebied op, 0111 boven, waar rondom minder hooge luchtdruk is, weg te stroomen. Het stormcentrumgebied heeft dus windstilte. Beweegt het minimum zich van W. naar O., dan zal men op een punt, ongeveer in de as

Sluiten