Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achtige massa's kool (steenkool en anthraciet. (Gr. anthrax kool.) Anthraciet bevat een zeer uroot koolstofgehalte (van 8^ tot ()() proc.) en weinig aschdeelen; het brandt zonder vlam maar geeft van alle kolen de meeste warmte. De grootste anthracietlagen vindt men in Pennsylvanië, Rliode Island en China. De steenkolenformatie bevat niet alleen kolen, maar ook grijzen of bijna zwarten kolen-leisteen, verder kolen-kalksteen, die geene kolen, maar wel fossiele zeedieren bevat en als escauzijnsche steen (naar Ecaussines in België zoo geheeten), blauwe zerk of blauwe hardsteen veel als bouwsteen wordt gebruikt, en eindelijk kolenzandsteen, die op vele plaatsen reeds kolenlagen bevat. In den kolen-kalksteen vindt men dikwijls loud- en zinkertsen. De kolengesteenten zijn van het grootste belang voor den mensch; waar kolen aan de oppervlakte of althans op niet te moeilijk bereikbare diepte liggen, ontstaan in de meeste gevallen mijnbouw en fabriekwezen. Bijzonder is dit laatste liet geval, wanneer er tevens ijzer in de onmiddellijke nabijheid wordt gevonden. In Nederland wordt, zooals bekend is, alleen in Zuid-Limburg steenkool gedolven.

De dyasformatie heeft haren naam naar de twee hoofddeelen: waaruit zij in Duitschland bestaat, liet roodliggend eu den zechsteen. De naam van liet eerste is eigenlijk „rood doodliggend gesteente." (Doodliggend heet het, omdat het geen ertsen bevat.) Het bestaat hoofdzakelijk uit bruin-rooden zandsteen en conglomeraten; de bruinroode kleur wordt door ijzeroxyde veroorzaakt. Het bindmiddel der conglomeraten levert hier en daar het zoogenoemde roodkrijt. De zechsteen, een meestal grijskleurig magnesiahoudend kalkgesteente, is vooral in Thiiringen bij den Harz en in Rusland zeer rijk aan koperertsen.

§ 33. Het Mesozoïsche (G. meson = het midden.) of Secondaire tijdvak bevat drie hoofdafdelingen: de trias-, (Gr. trias = drieheid.) de jura- (naar den Zwitserschen Jura.) en de krijtformatie. (naar het witte krijt, dat in deze formatie voorkomt.) De verdeeling van land en water op de aardoppervlakte schijnt geheel anders te zijn geweest dan in de primaire periode. De eigenaardige zegel- en schubboomen (sigillaria's en lepidoden-

bos, Leerb. L. en V., 4e druk. 22

Sluiten