Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drons), die in de steenkoolformatie eene zoo groote rol spelen, zijn geheel verdwenen; reusachtige varens en paardestaartigen (equisetaceeën) zijn echter nog aanwezig; verder verschijnen cycadeeën (sagopalmen en coniferen (kegeldragenden). De trilobieten, die in de klasse der gelede dieren gedurende de silurische en de devonische formatie zoo op den voorgrond traden, zijn geheel verdwenen en hebben plaats gemaakt voor langstaartige kreeften en de eerste krabben. Het rijkst ontwikkeld zijn de weekdieren en wel de cephalopoden (ammonieten en belemnieten). De heterocerke visschen maken plaats voor de homocerke. (Heterocerke visschen = visschen met naar boven en naar beneden onsymmetrisch ontwikkelde staartvin, homocerke visschen = visschen met naar boven en naar beneden symmetrisch ontwikkelde staartvin.) 't Meest kenmerkend voor het secondaire tijdvak zijn de reptielen en wel hoofdzakelijk de hagedisachtigen (sauria), waarvan er reusachtige voorkomen. Als eerste warmbloedige gewervelde dieren vertoonen zich sporen van een' vogel (archaeopteryx, in 1S61 in de steengroeven van Solenhofen ontdekt) en de buideldieren.

In Zuid- en Middel-Duitschland, waar de trias het volledigst voorkomt, bestaat zij uit bonten zandsteen, schelpenkalk en keuper. Den bonten zandsteen vinden we o. a. in de Vogezen en het Zwarte woud, in het Odenwoud, den Spessart, den Rhön en Thiiringen; de streken, waar de bonte zandsteen aan de oppervlakte komt, zijn meestal met bosschen bedekt. Voor het bouwen van de domkerken van Mainz, Worms, Spiers en Straatsburg, van het Heidelberger slot etc. is van dit gesteente gebruik gemaakt. Het karakter van de schelpen-kalklandschappen is reeds op blz. 334 aangegeven. Om den rijkdom aan zout heeft men de trias wel eens het zoutgesteente genoemd, in tegenstelling met het kopergesteente (dyas) en het kolengesteente. In Baden, Zwaben, Frankenland en Noord-Zwitserland, en waarschijnlijk ook in de Oost-Alpen, ligt het steenzout in de schelpenkalk; zoo ook bij Sperenberg ten Z. van Berlijn. Het Stassfiirter zout ligt onder de lagen van den bonten zandsteen en behoort waarschijnlijk tot de zechsteenformatie. In Silezië en Polen vindt men in de schelpenkalk rijke zink-, lood- en

Sluiten