Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleverd door de in de steppen of in de voormalige steppen tot stof verweerde bovenste lagen der gesteenten, vermengd met vergane plantendeelen, en dit materiaal zal door de winden opgewaaid, voortgedragen en neergelegd zijn in de dalen en op die plaatsen der berghellingen, waar liet kon blijven liggen. Verder zal de regen ook liet zijne hebben gedaan 0111 het van de hooger gelegen punten naar beneden te voeren. Grassen en andere kleine planten, die er op groeiden, hebben vervolgens met hare wortels den samengewaaiden bodem voor verstuiven bewaard. Deze theorie voor het ontstaan van het löss vindt in de eerste plaats hare toepassing in China. Of zij echter ook mag gelden voor het löss b. v. in Middel-Europa, wordt door sonmïigen betwijfeld. Het löss is eene zeer vruchtbare grondsoort, \lie in Europa in vele rivierdalen en op de helling van vele bergen voorkomt, vooral in het Rijndal, in het Maasgebied, in het Schelde-, het Donau-, het Rhöne- en het Elbegebied. In China komt het in 't gebied van de Hoang-ho tot op 2800 M. boven de zee voor en bereikt liet eene dikte van 500, ja 1000 M., terwijl liet eene oppervlakte bedekt, nog grooter dan Duitschland. De beken en rivieren hebben diepe kloven er 111 uitgeslepen, met loodrechte wanden. In Nederland komt het löss, zooals algemeen bekend is, voor in Zuid-Limburg. In den laatsten tijd is deze leemsoort ook ontdekt van Arnhem tot Dieren tot hoogten van 80 a 100 M. en ter breedte van ongeveer 2 KM., verder bij Elten en aan de overzijde der rivier bij Berg en Dal en Groesbeek.

Onder de dieren van het diluvium zijn verscheiden 1111 uitgestorvene, als de mammouth, waarvan men overblijfselen in de bevroren rivierslib der Siberische laagvlakte en in het loss vindt, en de holenbeer. Verder zijn er dieren, die eerst 111 historisehen tijd zijn uitgestorven of op weg zijn uit te sterven, als de wisent (Bison europaeus), die 1111 nog in enkele bosschen in den Kaukasus en in liet Bjelowejer woud in Littauwen leeft, de uitgestorven oeros (Bos primigenius), die als ,,Ur' 111 de Ni bel 1111 gen voorkomt en door Caesar in zijn werk over de Germanen „Urus" wordt geheeten, en de eland, die nog alleen in de moerassige streken van Noord-Europa, Pruisen en Lit-

Sluiten