Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondmoreene. Aan het vooreinde blijft, bij het afsmelten

van het iis. de eindmoreene (e)

liggen, waarvoor de bijdragen door de moreenen van dat gletschergebied zijn geleverd. Op de plaat van den glacier d'Argentière zijn, met het einde van den gletscher, zeer duidelijk de zijmoreenen en de eindmoreenen te zien. Het plaatje Aletschgletscher (bl. 112) vertoont vooral zeer duidelijk eene niiddelmoreene. Van de drie platen van den Rhónegletscher stelt de eerste

aanschouwelijk het ontstaan van de Rhöne voor, terwijl ze tevens een denkbeeld geeft van de moeilijkheid, aan het overgaan der passen verbonden. Naar links voert in een zig-zaglijn de weg naar den Grimselpas en verder naar 't Haslidal (van de Boven-Aar). Nadat de brug over de nog jonge Rhone gepasseerd is, leidt naar rechts langs den bergwand de weg naar den Furka-pas, die op zijne beurt naar het Urserendal

(van de Boven-Reuss) leidt.

De tweede plaat geeft een nader gezicht op den gletscher en toont duidelijk den kronkelloop van het pas ontstane riviertje, terwijl de derde een gezicht op den gletscher geeft daar, waar hij van eene vrij sterke helling afdalend, zich na de bevrijding van tusschen de rotswanden weer uitbreidt en zich dus als ijsrivier gedraagt.

De vierde plaat vertoont een gletschermond of gletscherpooit en laat duidelijk zien, dat de gletscher als een vrij steile muur van ijslagen eindigt, onder welke een gewelfde poort, waaruit het smeltwater te voorschijn komt. Dit is wel eens gletscherme genoemd naar de kleur, veroorzaakt door de opgeloste, fijne deelen der grond moreenen. De grove en harde deelen van deze maken in den rotsbodem, waarover de gletschers beweegt, sleuven en krassen, zooals in den gletschertuin te Luzern, een vroegeren gletscherbodem (zie plaat blz. 37°)- aai 11 ook de eigenaardige reuzenketels afgebeeld. Wanneer 111 den

Sluiten