Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zomer het smeltwater der beekjes in de spleten van den gletscher neerstort, vormt het daarin bijna cylindervorniige gaten, die dikwijls tot op den bodem doordringen (gletschermolens). Valt nu in zulk een gat een steen, dan wordt die dooi t vallende water in draaiende beweging gebracht en boort nu een gat ook in den gletscherbodem uit Soms blijft de steen nog daarin liggen. Zulke gaten, die enkel wel 1 M. middellijn hebben, heeft men reuzenketels genoemd. In de poolgewesten bedekt het gletscherijs geheele eilanden; zoo is het binnenland

van Groenland ééne ijswoestijn.

In de diluviale periode, voorafgaande aan de alluviale, was de temperatuur op het noordelijk halfrond lager dan tegenwoordig, zoodat de gletschers op middelbare breedten aangroeiden tot"ijsmassa's, als nu de gletschers der poolgewesten. Skandinavie, de Alpen, de Harz en andere gebergten waren toen centra, van waar uit het ijs voortschoof over de omgelegen vlakten. Het Skandinavische ijs strekte zich, blijkens de aanwezigheid van gansche inoreenelandschappen (waarvan de gesteenten uit het noorden afkomstig zijn), uit over Noord-Duitschland, noordelijk Nederland en oostelijk Engeland, daarbij de ondiepe Noord- en Oostzee tijdelijk met ijsstroomen vullende. De Zwitsersche en een groot deel van de Zuidduitsche hoogvlakte waren met gletscherijs van de Alpen bedekt. Ook noordelijkRusland en noordelijk Noord-Amerika hadden een voorkomen als tegenwoordig nog Groenland en Spitsbei^u.

§ 49. De hoofdvormen van het land. Men onderscheidt

vlak en oneffen land.

Vlak (daarom nog niet altijd horizontaal) land noemt men

eene vlakte. .

Oneffen land met geringe hoogteverschillen, welke zien dikwijls in ongelijke mate herhalen, noemt men heuvelland. Zijn de vlakten voor een groot deel door ophooping van groote massa's betrekkelijk fijn verdeelde stoffen ontstaan, ook het heuvelland heeft daaraan meerendeels zijn ontstaan te danken. De vlakten ontstonden meest, doordien deze stoffen in holten werden nedergelegd, de heuvellanden voor een groot deel, doordien dergelijke stoffen ongelijkmatig werden opgehoopt.

BOS, Leerb. L. en V., 4e druk. 24

Sluiten