Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geest, zooals men zich het ijlen in een koorts herinnert .... Geen uitgang hier .... die deur gesloten .... terug .... den ganschen weg terug. Stille, eindelooze dagen met nu en dan stekende pijn, doffe drukkende duisternis, waarin verterend vuur brandt. Maar eindelijk toch verrijst met volle helderheid de dag, waarop een vreemdeling, op hoogen toon (zonder er recht toe te hebben naar ik meende) ons zijn bevelen kwam geven. Hij nam mij op, terwijl ik aan Assunta's hals hing en met een kreet liet zij mij gaan. Ik gaf geen geluid; mijn ooren waren nog te vol van vaders zwijgen. Verbijsterd door het leed, zooals een kind gewoonlijk is, staarde ik op het dek van de stoomboot naar den wal, waar Assunta stond te jammeren, te jammeren alsof het trouwe hart haar breken zou. Ik zag, hoe de witte muren en de blauwe heuvelen van mijn dierbaar land al meer en meer begonnen terug te wijken; hoe mijn Italië de plooien van haar kleed te zamen nam, als eene, die zich toornig terugtrekt van den smeekeling, die den zoom zoekt vast te grijpen. Daarop kwam de zee, de zilte zee ons onverbiddelijk scheiden en wierp de boot en mij, met al mijn angst en leed den starren als ten prooi. Tien dagen en tien nachten waren wij in open zee; tien dagen en tien nachten, die op nacht noch dag geleken. Zon en maan van de groene, verzoenende aarde afgesneden, staarden met hongerigen blik, als in blinden wrok, onnatuurlijk op mij neer. En die hemel, die de gansche zee als in een net omsloot, alsof geen schepsel levend aan zijn macht mocht ontglippen, die hemel telkens opnieuw door het zoute schuim bespat, was dat de heilige hemel, waar mijn vader was heengegaan? Alles was zoo vreemd en nieuw; het heelal tot vreemdeling geworden voor een kind.

Eindelijk land, eindelijk Engeland. Hu, wat zagen mij die koude, witte klippen ijzig aan! Moest een

Sluiten