Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dier schamele, roode huizen, daar in den nevel, een tehuis voor mij gaan worden? En hoe vreemd klonk vaders taal van vreemde lippen, zonder welkomstkus voor vaders kind! Ik schreide luidkeels, en zóó hartstochtelijk, dat ik iemand naast mij hoorde zeggen: „Ik geloof, dat de zeeziekte dat kind in het hoofd is geslagen." — Een oogenblik later kwam de trein ons verder voeren. Was dit nu Engeland, vaders Engeland? Het groote eiland? 't Was alsof de grond zelfs het groen niet in gemeenschap bezat: het eene veld was scherp gescheiden van het andere, evenals de menschen van elkaar. De lucht zelfs zag onvriendelijk, hard en laag. 't Was of men de wolken bijna met de hand kon aanraken en dit zou durven ook, zóó ver waren zij van Gods kristallen hemel af. Alles was als overgoten met een dof, groezelig, nevelig waas. Hadden Shakespeare en de zijnen al het licht hier opgeslorpt? Ik zag geen heuveltje of steen, waar ziel genoeg in zat, om met een frissche kleur of scherpe lijn zich tegen het grauwe zwerk af te teekenen.

Nog zie ik mijn vaders zuster in de vestibule van haar landhuis staan, om mij welkom te heeten. Daar stond zij, rechtop, kalm, een stijve vlecht om het ietwat smalle voorhoofd gewonden, als om de al te vurige gedachten, die toevallig mochten oprijzen, goed in bedwang te houden. Zij had bruin haar, waardoor een grijze ader liep, want ofschoon slechts één jaar ouder dan mijn vader, had een leven zonder warmte haar vroeg oud gemaakt. Haar neus was scherp, maar fijn gevormd; de mond zacht, maar vast gesloten en met een wreveligen trek aan de hoeken, alsof hij veel liefs had betuigd, dat nooit weerklank had gevonden, of misschien niets dan halve waarheden had geuit. Zij had kleurlooze oogen, die misschien eens mochten hebben gelachen, maar zich toch zeker nooit aan lachen hadden te buiten gegaan; wangen, waarop nog een enkel roosje van vervlogen zomers getuigde, een roosje,

Sluiten