Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

steunde. Lang voordat men beneden in huis ontwaakte, en lang nadat alles ter ruste was, zat ik eenzaam in mijn hooge groene kamer, wachtend, dat zij mij haar zegen zou brengen. Daar ritselde het loover, daar suisde een windje, daar flonkerde een lichtstraal... daar was hij mij met stille schreden genaderd en de engelen maakten plaats voor hem aan mijn zijde. Dan kwam de maan en verjoeg alle dwaze gedachten met haar reinen, stillen glans. Dan kwam de zon en zeide: „Hoe, ik doop de linden met mijn stralen en gij slaat er geen acht op? En luister, ik leer den vogels hun morgenlied, maar gij... gij zingt nooit; God hoort alleen uw stem, wanneer gij 's nachts in uw bed ligt te weenen."

Dan was het als roerde mij iets aan; de dofte sluimering ging wijken en langzaam, maar eindelijk ten volle ontwaakt, opende ik mijn venster en mijn ziel zoo wijd ik maar kon, en liet hemel en aarde hun blijde boodschap verkondigen en mijn binnenste vernieuwen.

O Leven, hoe vaak zijn wij u moede, hoe vaak zouden wij uw last ter zijde willen werpen, hoe menigmaal achten wij het onzer onwaardig, dat wij uw banden niet slaken, misbruikt, verminkt, verlamd als wij zijn, aan alle verheffing vreemd geworden. Dan verbergen wij ons gelaat, als pruilende kinderen en zeggen het leven vaarwel en meenen dat alles voorbij is ... en dan opeens ... hoor, daar klinkt uit den hooge, van omlaag, rondom ons, de roepstem des levens opnieuw; maar veranderd van toon, met ongekenden klank, als een nieuwe openbaring... Dat is de stem der Natuur of der Liefde zeggen wij en misleiden ons zeiven, omdat het ons lichter valt onze nooden te klagen dan te erkennen, dat ons vergoeding wordt geschonken. Maar neen, het is de stem des Levens en wij sluiten vrede met den vijand, wij weten zeiven niet hoe.

Ook was ik in die dagen te jong, om neerslachtig

Sluiten