Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdzakelijk wordt bewonderd, omdat er van werkelijk toestooten geen sprake kan zijn. Gij kunt u niet tevreden stellen met den lof, dien de man aan de vrouw toezwaait, als hij een boek beoordeelt, niet als werk op zich zelf, maar als vrouwenwerk; er zijn betrekkelijke waardeering, liever gezegd zijn volkomen minachting voor uitsprekend: „O uitmuntend, wat een bevalligheid, wat een gemakkelijkheid, wat sierlijke wendingen, wat fijne opmerkingen; het zijn waarlijk bijna gedachten. Dit boek is een eer voor het vrouwelijk geslacht. Plaats in de rij onzer vrouwelijke auteurs voor deze schoone schrijfster hierl Wij wenschen ons vaderland geluk, dat het heden ten dage op vrouwen mag bogen, die aldus bevoegd zijn tot... spellen."

„Genoeg", riep ik uit, den draad van zijn betoog door den gloed mijner verontwaardiging verterend. „Gij hebt in mijn ziel gelezen, al liet gij mijn boek ongelezen en gij weet juist uwe woorden te kiezen. Neen, ik zou mij niet verlagen — ik zeg niet om zulk een lof in te oogsten — elk najagen van lof is armzalig — maar om zulk een misbruik van de heilige kunst en het rijke leven te maken. Ik ben jong en misschien zwak — gij zegt het — omdat ik vrouw ben, maar liever zou ik in een kermistent op de koord dansen tot de kleine kinderen hun peperkoek van opgetogenheid op den grond lieten vallen, dan dragelijke verzen saam te lijmen, ondragelijk voor den man, die handelt en lijdt. Liever een nietswaardig bedrijf met ernst uitgeoefend, dan met de goddelijke kunst gebeuzeld!"

Maar gij wilt noch het een noch het ander, gij kiest edeler taak, niet waar? Dat zeggen mij die vochtige oogen, die trillende lippen, dat zwoegende hart. Wij zijn jong, Aurora, gij en ik beiden; wij zijn laat gekomen op een aarde, die opgehoopt is met gestorven geslachten en al hun zonden. De spade des hervormers stoot knarsend op doodsbeenderen en werpt niets dan rottende aarde omhoog. Elk

Sluiten