Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is lam; daarom ging Lucy's draad nog sneller dan haar borst op en neer en die ging veel te snel, dat weten wij. Marian Erle — wel kind, gij zijt toch niet dwaas genoeg er om te schreien? LJw tranen zullen Lady Waldemar's nieuwe kleed bederven, teerhartige ziel 1"

Marian stond op, liet hen praten en naaien en verliet tot hun verbazing het huis, om Lucy te gaan verplegen tot aan haar beterschap of haar dood. Zij wist, dat zij door die daad haar betrekking voor altijd verloor. De modiste ('t was te billijken) zou zich verplicht zien haar aanstonds te doen vervangen. Maar ook het medelijden heeft verplichtingen. Zij kon een eenzame ziel niet in het duister laten te gronde gaan, terwijl zij rustig aan een dameskleed zat te stikken, alsof er op dat oogenblik geen dringender werk viel te verrichten. „Wel, dacht Marian, ook God heeft op het oogenblik een ledige plaats, die noodzakelijk moet vervuld worden. Lucy heeft drinken noodig misschien. Laat anderen mij missen, maar God nooit."

Zoo zat zij bij Lucy's bed, tevreden haar plicht betrachtend, zich sterk en beloond gevoelende, als zij, de fakkel der menschlievendheid in de hoogte houdend, daarmee troost en verkwikking op die brekende oogen mocht doen dalen, totdat aan de andere, de lichtzijde van den dood, de engelen met de hunne gereed waren. Het was haar, zeide zij, soms wonderlijk te moede, als Lucy haar dankte en haar „zoo goed" noemde. Zij, Marian Erle, goed genoemd; zij, die geslagen en verkocht niet eens sterven kon! 't Is waarlijk een geluk, om goed te kunnen zijn! „O gij", zeide zij, „door uwe geboorte tot dat voorrecht geroepen, beklaag den arme, die zich geen grooter geluk denken kan, dan dat anderen maar goed voor hem zijn."

Nadat Lucy kalm, schier onopgemerkt, als het licht, dat wegsterft op de heuvelen, was ontslapen,

Sluiten