Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

borst der moeder, den vorigen dag reeds gestorven. Ik, die vrouw ben en weet wat het is, vrouw te zijn, ik ben er zeker van, dat Marian Erle, zij moge weggelokt en bedrogen zijn, rein is gebleven in bedoeling en gezindheid, als de sneeuw, die van den tuinmuur op den open weg stuift."

't Deed pijn hem te hooren lachen. „Een gelukkig gevonden beeld 1 Wel, een dozijn karren en paarden zullen wel zorg dragen voor uwe reine, witte sneeuw. Vóór dat de avond valt, zal men haar voor roet kunnen houden. Rein in bedoeling! O zeker, zoo als ik zelf, die meende de wereld op mijn schouders te kunnen nemen, om haar over een afgrond van socialen nood te dragen en die ten slotte één enkele, een kinderziel uit mijn machtelooze armen laat glippen en ter helle doe varen 1 Ja, zij en ik, wij hebben wel reden, om trotsch te zijn op de reinheid onzer bedoelingen." En toen zachter, als de laatste regendroppelen van een onweersbui: „Arm kind, arme Marian, t was een ongeluksdag voor haar, toen zij voor het eerst met mijn philanthropie in aanraking

Hij schoof een stoel naast den mijne en zette zich neer. En ik deed instinctmatig, wat de vrouw gewoonlijk doet, tegenover de smart van een vriend: ik sprak op zachten, deelnemenden toon — troostwoorden waren het niet, want ik wist niet, waarmee hem te troosten; het waren eenvoudige gezegden, van weinig beteekenis, als men ze geschreven zou zien. Toch brachten zij hem tot bedaren; zij sterkten hem en gaven hem tijd en kracht, om tot zich zeiven te zeggen, wat in die woorden lag opgesloten, maar er niet door werd uitgedrukt; ja zij hielpen hem meer misschien, dan wanneer zij minder eenvoudig waren geweest.

Ik heb de groote denkers onzer eeuw gekend en ademloos aan hun lippen gehangen, wanneer de eene schoone gedachte na de andere zich kunstvol in

Sluiten