Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht te wijden aan een handvol leelijke menschelijke stof, aan den palm van den ambachtsman of het gegroefde voorhoofd van den boerenarbeider ruw

en onedel behalve in het oog van mij en van God.

Hoe komt het, dat de mannen der wetenschap, dat osteologen en chirurgen in eerbied voor de natuur menig dichter beschamen? Dat zij niets gemeen of onrein achten.' Dat zij door een zeldzame verharding in de bloedvaten, een buitengewone ontwrichting, een nog niet voorgekomen kromming in de ru»<recrraat in verrukking worden gebracht, terwijl wij ons^ergeren aan elke afwijking der natuur, ons met walging durven alkeeren van haar blaren en uitwassen, en niet eenmaal voor haar niezen een „God zegen u" ten beste hebben? 1 ot onze schade en schande, want daarom acht zij ons meestal een dieper blik in het geheim harer schoonheid o» harer begeerten onwaardig, en laat ons slechts aan een draad van een roos naar een lelie fladderen ons voedend met den honig en den dauw in die bloemkelken besloten.

En zoo leven wij dan daarheen, onwetend, onbewust, dat de hongerige bedeljongen, die ons met verwonderde oogen aanstaart, omdat wij zijn sinaasappelen zoo achteloos, zoo afgetrokken voorbijgaan, in zijn borst een deel draagt van een wereld, aan deze onze zinnenwereld verwant, maar onverkleind, ongeschonden, omdat geen menschenhand haar heeft aangeraakt. Terwijl wij hem met minachting voorbijgaan omdat wij hem — God helpe ons — minder poëtisch' achten dan een bloem of twee op ons pad, draagt hij zoowel bloemen als firmamenten, de zee met al aar baren, den hemel met zijn starren, ja heel die schepping in zich om, die wij zoo oplettend beschouwen en waarvoor wij ons ongeduldig van hem afwenden. L'Od zij ons genadig, en doe ons Zijn beeltenis in eere houden. Dan toch kunnen dichter en menschenvnend (ja zelfs Romney en ik) nevens elkander hun evensueg gaan. Want dan staan wij beiden van aan-

Sluiten