Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W aldemar over. Was dat wel iemand om te vertrouwen, vroeg ik haar? De dame streelde mij de wang en lachte haar zilveren lach. (Met moet geboren zijn tot lachen, om er die muziek in te kunnen leggen). „Dwaas kind," zeide zij, „uw overspannen zenuwen doen u overal schrikbeelden zien; laat die zaak gerust aan mij over." „En zoo, half gerustgesteld, half mij ze|ye verachtend, omdat ik in mijn hopelooze rampzaligheid nog hart, nog vrees voor iets anders had, liet ik de zaak op haar beloop.

•i °^er'Se 's spoedig gezegd. Ik was gehoorzaam;

ik schreef den brief, die hem van Marian bevrijdde en raa." ,zljn ,e'gen gelukster overliet, en volgde die

verfoeilijke leidsvrouw. De dame — neen stil haar

beschuldig ik niet — dames, die zoo hoog zijn gezeten, zien zelden lager dan haar eigen kleine voeten, hoe zij haar best ook doen om naar beneden te zien. Lady Waldemar zag minder duidelijk dan ik, met welk een duivelin ik den weg der zwijnen opging, om in een afgrond, een helschen poel vol' onreinheid te verzinken en te smoren. Een poel zóó diep, dat geen wanhoopskreet der ziel er uit op kan stijgen en menschen ter hulpe doen snellen. Men zegt: &de hemel heeft hulp voor zulke kreten. Maar hoe, als men van uit de hel roept? Naar die zijde neigt immers geen hemel het oor?

„Een vrouw ... luister, laat ik het duidelijk maken... een vrouw ... geen monster .. . beide haar borsten zouden een kind kunnen zogen ... nam mij, ook een vrouw, eene jonge, onwetende vrouw met zich mede. Daar zat ik in den trein, verzonken in mijn smart, mijn arme oogen schier uitgeweend, zoodat zij blindelings staarden op de boomen, de dierbare, zoo lang ontbeerde boomen en velden, die als vreemde honden naast mijn raampje draafden. Verdoofd, verblind, maar half levend — wat wist ik waarheen, of op welke boot, of naar wat plaats en bestemming ik werd heengevoerd ? Zoo draagt men een lijk de

Sluiten