Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van mij; het noemt mij Alola, de r's van mijn naam als doornen afstroopend, opdat hij zacht genoeg klinke, om over die mooie, met melk gevoede lipjes te gaan. God zegene hem! O zeker, zeker zou ik gelukkig zijn, als ik — God helpe mij — niet ongelukkig om Romney s wille ware!

Romney! Romney! Maar dit wordt onzinnige dwaasheid. 't Is als een wijs, die ons door het hoofd maalt, totdat alles, regen en wind, het gegons van een vlieg, het gesjilp van een krekel, hetzelfde tergende deuntje zingt; misschien wel een, waarvan wij nooit hebben gehouden: „C'est 1'amour, l'amour" of zoo iets. — Zoo bestaan wij: tirannen tegenover ons zeiven misschien, en niettemin slaven der natuur.

Sommigen van ons hebben veel van een zeurig liedje met een refrein, dat onophoudelijk terug komt.

„Vincent Carrington vindt het „jammer en ik vind het jammer," maar hij kan uit zijn „jammer onmiddellijk naar den hemel van zijn liefde stijgen, en al zegt hij nu en dan: „Arme, arme Leigh, die nooit zulk een trouw hart, zulk een lieftallig gelaat het zijne mag noemen" — de smart van het medelijden lost zich aanstonds op in den blos, dien zijn meewarige blik te voorschijn roept. Voor hem is de sneeuw in de Meimaand op een warme aarde neergevallen; zij smelt bij de eerste aanraking van het groene gras.

Maar Romney - heeft in elk geval toch zelf zijn lot gekozen. Hij heeft een even kostelijke zon om bij te zien als anderen, en alles tezamen genomen ook misschien zooveel minder goed nog niet gezien dan sommigen van ons. — Ik wil er niet langer over denken. Zoo geheel ben ik niet vrouw, om niet eens één enkele maal man te zijn, en als Alaricalmijndooden te begraven; de schatten mijner ziel in deze droge bedding *te doen nederzinken, en daarna den levensstroom er weer over heen te laten gaan met zijn speeljachten en zijn handelskielen. Wind, steek op en help ons voort.

Sluiten