Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij spotten met ons zeiven, als wij spreken van den wind en van wat onze voornemens zijn. Hoe drukkend is deze heete, verstikkende lucht, hoe benijd ik der dooden deel in het rivierbed, de zilveren gordijnen ruischend over hen dichtgeschoven! Of anders hun rust in stille crypten, van hitte en gedruisch bevrijd — niet langer gekweld door die vermoeiende cikade en dit nog afmattender kloppen van het hart.

Helaas, wij begeeren voor de ziel, wat voor het lichaam is weggelegd: te sterven en te vergaan. Ziedaar, Aurora, het einde van ons grootsch streven; wij, die zoo ver in het Oosten het doelwit zagen van onzen tocht. Maar zou daarom dit vlakke Westen ons meer hebben geschonken ? Klommen wij tot waar alle plantengroei zwijmt en vragen wij thans der dieren deel? Zijn wij het deel eens engels moede? — Men noemt den mensch het wezen, dat opziet naar de sterren en in eigen binnenste nederblikt, dat werktuigen schept en tot lachen bekwaam is. Men zou met nog meer recht kunnen spreken van het wezen, dat met zichzelf in tweestrijd is, want dit maakt 's menschen hoofdkenmerk uit. Welk ander schepsel op aarde denkt zich den cirkel en treedt dan voort in het vierkant ; hangt aan wat hem verderfelijk bleek, stoot af wat hem weldadig ? Meent ge dat de bij den ganschen zomer honig gaart, om in den wintertijd de honigraat te gaan vloeken en naar mierenkost te hunkeren? Maar de mensch — ja mannen ook; daarin zijn zij slechts vrouwen, zooals vrouwen maar Aurora's zijn! — daar zijn er, zoo gevoelig van aard, dat een platgetreden worm hen doet verbleeken, en die toch tot tijdverdrijf in hun lievelingsdroom autodafégewaden schilderen, met crocusvlammen bezaaid. Daar zijn er, die in de hel gelooven en liegen; die in een hemel gelooven en vreezen; die midden in den wereldoceaan op deze zandbank neergeworpen, aan de oplossing van het levensraadsel hun hartebloed geven — om ten slotte in den dood naar een oesterbaan te verlangen.

16

Sluiten