Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hart ontbrand, dan doet 't het leven verdorren en daarna voelen de vogels zich te trotsch voor ons en gunt de zon ons geen dauwdrup meer.

Ik- was naar een ledig nest teruggekeerd, iets waar elke vogel zich voor wacht. Hoe klonk mij op dien verlaten grond voortdurend vaders voetstap in de ooren, hoe hoorde ik nog zijn stem in die stilte, als nij mij de namen der vogels en insecten, der boomen en bloemen noemde, de sterrebeelden aanwees, die boven Valdarno verschenen. „Mijn kind", klonk het e ens; „mijn kind". Als een vader „mijn kind" zegt, valt het niet moeilijk het heelal te begrijpen, de wetten te verstaan, die 's levens overgangen beheerschen.

fc-ens reed ik naar ons landhuisje in de bergen met een vaart, alsof ik mijn vader er vinden zou; maar reeds op vijftig el afstands, bij den eersten blik op het huis, wierp ik den teugel op den nek van mijn paard, dat geen stap verder deed. Het huis was aan de voorzijde ruitsgewijze geheel met rijpe maïs overrokken , een en al goudkleur. Geen steen was meer vrij, geen plekje waar een wingerdblad groeien kon.

oude ingang was verdwenen; in de open deur zat een meisje stroo te vlechten. Haar zwarte lokken waren onder een rooden doek weggestreken, die naar i oscaanschen trant onder de kin was vastgestrikt. Loom hief zij de groote, dofzwarte oogen tot den moerbeziënboom op, waarin jongens, met stokken gewapend, onder gelach en gepraat bezig waren alle takken van de bladeren te ontdoen; die malsche, groene bladeren, die mijn vader niet tegen al de zijde, waarin de leelijke zijdewormen zich hullen, zou nebben willen ruilen. — Genoeg! Mijn paard was mijn hart nog vóór geweest. Ik wendde ijlings den teugel, en terug joegen wij naar Florence, niet minder snel dan wij waren heengegaan.

Dit grafbezoek was mij voldoende. Ik wilde vaders noch moeders graf meer zien; ik wilde niet onderzoeken of het mos het werk van den steenhouwer

Sluiten