Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds had uitgewischt, ik wilde mijn bloemen er niet op strooien; zij konden de lucht toch niet geuriger, de aarde niet bloeiender maken. Mijn dooden leven te hoog, om zoo laag naar hen te zien. De gedachte was mij liever, dat zij nu en dan mijn graf hier, dit leven, dit wordende leven bezochten, en tot mijn troost en bemoediging een enkele der minst welriekende paradijsbloemen op mij deden neervallen. Want ware de bloem te rijk aan geur, zij zou mij gewis van vreugde hebben doen sterven.

Ook mijn oude Assunta was dood, was dood. O, land van ieders verleden, voor mij alleen kondt gij uw tijden niet doen samenvloeien! Ook ik was verleden als de anderen — alleen maar niet in den hemel. Menige avond zag mij door de cypressenlaan dwalen, als een rustelooze geest, die met zwakken adem vergeefs zijn eigen, half verkoolde, te vroeg gebluschte grafmijt zoekt aan te blazen. — Zwart en stijf rezen de boomen tegen de vermillioenen lucht. Welk een lucht! — alle wolken als weggevaagd door een geesten-mensch-verblindenden zwaai van den zoom van Gods kleed! Ik daalde af naar de rivier, om op de brug nog even een slip er van mijn avondgroet te brengen, voordat die achter Lucca's bergtoppen werd weggetrokken. Daar omlaag, niet langer door het wicht dier glorie gedrukt, vloeide de rivier, zacht murmelend, in stemmende schaduw voort. Langs haar oevers golfde de vroolijke menigte. Ik hoorde het geruisch van hun waaiers en voetstappen, dat aan het gemurmel hunner stemmen zich paarde; al die zachte klinkers, die hun gebabbel tot muziek maakten. Zij keerden van de hertogelijke landhoeve terug, vóór dat met het slaan van achten de boomen gevaarlijk werden. „Want", zegt de Toscaner: „vertrouw de boomen bij maanlicht niet." Daar trokken zij heen, al die minnende paren, om bij Donay ijs te gaan eten. Lieftallige schoonen, door bewonderende cavaliers begeleid, die den dierbaren waaier vasthouden, terwijl

Sluiten