Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vijf tellen lang voelde ik iets van een Leigh in mij, maar toen ging het voorbij. Een kind schreeuwde en ik had te bedenken, wat ik daar in het donker met al die van dak beroofde schepsels had aan te vangen. Ook vroeg ik mijzelven af, waar zij den volgenden keer zouden dansen, zij, die de vedel hadden verbrand."

„Dacht gij daaraan? Wie zijn vedel verbrandt, danst, dit weet ik, bij geen cymbalen meer, Romney."

„O zachte, droeve stem," riep hij uit. „Stem, die mij de ziel ontroert. De zon zwijgt, maar Aurora spreekt."

„Helaas", zeide ik, „ik weet niet wat ik zeg. Ik voel mij, ik ben weer een kind; ik denk er aan — 't is een dwaze gedachte, gij zult er om lachen — dat ik nooit meer uit het raam van mijn kleine bovenkamer die oude schoorsteenen tusschen het geboomte zal zien."

„Nooit meer, was zijn antwoord. „Zoo ge ooit over de groene heuvels uw schreden naar het huis onzer vaderen richt, zult ge op een wijden verkoolden cirkel stuiten, waar binnen de grond geheel verschroeid is. In het midden daarvan zult ge een steenen trap zien — mijn levenssymbool — zich wentelend en windend naar omhoog, maar nergens heenvoerend. 't Is waard, dat een dichter het zie. Zult ge er heengaan?"

Ik gaf geen antwoord. Hoe had ik durven spreken; ik had immers het recht niet met dezen man te weenen. Een vrouw stond tusschen zijn ziel en de mijne en belette ons elke aanraking met hare onreine, blanke handen. Genoeg; ook wij hadden onze vedels verbrand en zwegen.

Ons zwijgen werd drukkend. Om vrijer te ademen sprak ik: „Later waart ge ziek, niet waar?"

„Nog zieker, ware ik niet meer ziek geweest. Ik hoopte, dat mijn futselen aan den levensknoop kort en goed tot een einde zou komen, maar ik faalde

Sluiten