Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had vastgegrepen geen oogwenk te doen zinken.

Van den dag af, dat de weeze, die men zelfs van vaders graf had beroofd, haar droevig, smachtend gezichtje naar Engeland had gebracht, had hij haar liefgehad1 en als in haar geleefd. Hij had zijn eigen ziel in haar zien ontluiken en groeien, en zich tot liefde ontwikkelen. Want als kind reeds had men hem verhaald van de Italiaansche bruid, die eens met oleandergeur in 't golvend haar, hem van uit de wijngaarddreven te gemoetzou komen, om hare hand m de zijne te leggen. Hoe had het bloed van den knaap getinteld bij dit verhaal! En toen ik eindelijk verscheen en daar voor hem heen leefde en zelden lachte had h.j mij — zooals ik was — met innige teederheid liefgekregen. Liefgekregen, zooals alle kinderen de eerste lentebloem liefhebben, niet omdat zij de mooiste is, maar omdat in haar het heele jaar schijnt te bloeien. Het arme, droeve sneeuwklokje onder de Maartsche buien groeiend, geheimzinnige schakel tusschen plant en vorst, kwijnend door de winterkou en toch zoo vlug oplevend met de lente; alleen maar niet recht wetend, of het maar niet weer weg zou gaan dooien met al die sneeuw om zich heen! 't Was daarom niet koel of kalm, dat Romney Leigh mii beminde. Mocht ik dit eens hebben gedacht, dan was het of ik mijn hand in het vuur had gehouden

van de kou- Thans werd het mij voor altijd duidelijk, dat het juist het vuur en de gloed van zijn hartstocht waren, die hem gelouterd hadden, maar daardoor op zijn woorden en daden een voor mij zoo onzeker stempel hadden gedrukt. Dat, juist wijl hij mij oneindig meer liefhad dan alle schatten en goederen, dan den maatschappelijken rang, hem onverwachts met al het overige ten erfdeel gevallen en, door geweten en rechtsgevoel genoopt, al dit mindere aan Gods voeten had neergelegd, zwerend het der lijdende menschheid ten offer te brengen, hij gemeend had nu ook met zijn liefde hetzelfde te moe-

i

Sluiten