Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hemel stond, als het teeken eener verheven, blijvende smart — teeken helaas voortaan slechts door één van ons aanschouwd. — Maar hoor, daar klonk een stem, zacht als het gefluister van een zucht en toch — ik voelde het — uit een glimlach geboren: „Geloofd zij God, die mij blind maakte, opdat mij de oogen mochten opengaan. Schijn voort, Aurora, dierbaarst licht mijner ziel, van nu af aan zon-, maanen sterrenglans voor mij. — Ik ben volkomen gelukkig."

Ik wierp mij nog dichter aan zijn borst, als het zwaard, dat na den slag de scheede zoekt. En in die vurige samenstrengeling onzer zielen ging dat mystieke leven des heelals ons open, waarvan onze zinnen in gewone stemming zijn buitengesloten. Wij voelden waar wij zaten, het wentelen onzer oude moederaarde, het onstuimig ommezwieren van al die flonkerende wereldbollen in hun hoorbare sferen ... tot wij ten leste niet meer wisten of diezelfde gouden maan ons boven het hoofd of aan de voeten stond.

Daarop kalm, klaar, zwellend van zielevreugd, verhief zich andermaal zijn stem als het lied van den opperzangmeester, na het „Sela" weer aangeheven: „Zie," zong zij, „op deze in maanlicht badende hoogte zijn wij dan eindelijk tot elkander gekomen, om beiden afstand te doen van veel en daarna alles te gewinnen. Wij moeten werken, geliefde, en de mensch kan slechts werken voor den medemensch; maar wil hij vrucht zien van zijn arbeid, dan moet hij de menschelijke natuur begrijpen en op menschelijke wijze te werk gaan: het lichaam uit het stof beuren, doordat hij de ziel omhoog drijft, zooals God in den aanvang heeft gedaan."

„Maar de aarde tot steunpunt nemen, terwijl wij zielen omhoog heffen," viel ik in. „Ook dit is menschelijk en ook dit heeft de Godheid in het eind gedaan; niets is hoog wat niet aanving laag te zijn. „Mijn vernedering heeft mij groot gemaakt," sprak de Heer."

Sluiten