Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Het middelstuk is van boven rond, van onderen driezijdig. Aan de bovenste helft aan de buitenzijde is een ruwe plaats ter aanhechting van de deltaspier,

3. Het ondereinde is breed en platen eindigt in het elleboogs uitsteeksel en twee knokkels.

Het elleboogsgewricht is door een sleuf gescheiden in: het binnenste gedeelte, de katrol (verbinding met de ellepijp) en het buitenste gedeelte, het hoofdje (verbinding met het spaakbeen). Boven de katrol liggen de voorste en achterste katrolgroeve. Ter weerszijden van het elleboogsuitsteeksel klimt de knokkel naar boven en verliest zich in het middelstuk.

De groote knobbel van het opperarmbeen helpt de bovenste dikte van de deltaspier vormen.

In de achterste katrolgroeve past het haakvormig uitsteeksel, in de voorste groeve het kraaienbekuitsteeksel van de ellepijp.

De buitenknobbel is het middelpunt van vele spiei*en, die er zich aan vasthechten, en dus ook van de lijnen, die de spieren voorstellen; hij is in vele standen van den arm verborgen onder de buigers en strekkers, terwijl de binnenste knobbel meer bloot ligt.

In den vleezigen arm als in stand als fig. 44 F verbinden de oploopende knokkelranden zich met den voorai m, zoodat de ronde buitenlijnen van den voorarm boven den elleboog beginnen;

Sluiten