Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Denkt een kind nu aan den draaimolen, dan komt deze reeks van beelden, — met verschillend begin, achtereenvolgens in het bewustzijn, — en het zal naar de woorden moeten zoeken, of heeft die nog maar deels om te zeggen, wat het ziet.

Zegt men tegen een kind, dat reeds eenige oefening heeft: „Teeken een draaimolen", dan valt het op de lei aan, als gold het een wafel.

De teekening is stilstaand, maar in den regel zit de molen vol, niemand stapt in of uit; een bewijs dat de molen draaiende wordt gedacht.

Vraagt men bijzonderheden, — dan komen er enkele uitdrukkingen als: „zij draaien al".

Waar zit gij ?

Ik zit er nog niet in.

Waar ben je zelf dan?

(Aarzelend) „Op straat".

Maar ik zie je niet.

Natuurlijk ziet het kind, dat met de gedachten op straat is, zich zelf niet; zich zelf teekencn is een hoogere trap.

Wij zelf denken in beelden, als wij luchtkasteelen bouwen; dan ontbreekt vaak het woord geheel en al; dito in den droom.

Sluiten