Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lachen op in de volgende woordjes en zet het teeken er naast.

Voorbeeld:

kegel G, g Michiel CH, ch wagen kachel degen Rachel I boeken I I regen I

G en CH.

g en ch.

Dictee en lezen.

Geert is een boer.

Geert reed naar den slager met paard en wagen. Op den wagen lagen twee biggen.

En toen ?

Toen begon 't te regenen.

Wat zou dat?

De biggen werden nat.

Zoo, en wat deed Geert ?

Geert reed door.

En wat zoudt gij doen:

Die biggen bij de kachel laten opdrogen ?

Sluiten