Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j. u. eeu, ou, ieu, au.

eeuw, ouw, ieuw, auiv.

{Dictee en lezen.)

Leeu-vven brul-len.

Spreeu-wen kvvee-len.

Mus-schen tjilpen.

Katten mau-wen.

Een kauw zegt: „ka".

Regen valt bij druppels.

Sneeuw valt bij vlokken.

Jan, ga je mee op de jacht?

Waarheen?

Er zijn muizen in het hok.

Ja zeker.

„Nu ben ik toe aan een nieuw boekje".

— „Op je neus".

„Op je neus" — vraag het maar aan de juffrouw, of aan ... ?

Om nu vlot te leeren lezen, eerst een boekje met eenlettergrepige woorden.

Sluiten