Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERTELLING.

Een haan en eene kip hadden samen twist. De haan kraaide „kukelekuu" en zei tegen de kip: „Is dat geen lang woord?" Maar de kip zei: „Ik kan nog langer woord zeggen!" En toen keek de haan de kip spottend aan en riep: „Toe dan maar!"

Daarop begon de kip te kakelen, alsof ze een ei gelegd had: „Tok, tok, tok, tuuk, tuuk" en de haan schrikte van zulk een lang woord, maar hij zei: 'tLijkt niets bij mijn woord kukelekuu!

„Tellen", riep de kip.

Nu lag daar in het gras de hond, dien de haan en de kip beide wel kenden. En toen de hond hoorde, dat de kip zei: „Tellen", begon hij hardop te lachen en kwam dichter bij.

„Zoo, kipjelief, kan je tellen", zei de hond.

„Ja zeker", riep de kip.

„Dan wil ik de proef eens nemen", riep de hond weer: „Heb je van morgen een eitje gelegd?"

„Ja zeker", riep de kip.

„En gisteren ook?" vroeg de hond weer.

Nu, daar kon de kip geen antwoord op geven, maar de haan riep: „En ik heb je gisteren nog hooren kakelen".

„Nu", zei de hond: „Vandaag een ei en gisteren een ei hoeveel is dat dan, als je tellen kunt?"

Sluiten