Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daartoe te komen dan door smeekend de handen uit te strekken naar dien Jezus die allen, welke zich werkelijk belast gevoelden, tot zich riep. Hij kwam er toe dezen Middelaar tusschen God en de menschen af te bidden, de kloof te dempen die hém, persoonlijk, als zondig mensch van den heiligen God scheidde. Het was hem in die dagen, alsof hem opeens de schellen van de oogen waren gevallen, welke hem het zien naar den geest belett'en; alsof op eens — naar hij zegt — zijn geestelijke kleurenblindheid was weggenomen. De volkomen onomwondenheid, waarmede in Gods Woord vergiffenis voor al onze zonden door het zoenbloed van Christus wordt aangeboden, boezemde hem zulk een innige, diepe liefde in jegens Hem die ons vrijkocht, terwijl het hem tevens zulk een dankbaar gevoel van groote verplichting gaf dat, in zekere mate, zijn geheele verdere levensgedrag daardoor bepaald werd. Hij werd er van doordrongen dat het voortaan zijn lust en zijn leven moest zijn ook anderen, die nog in duisternis verkeerden zonder het misschien zelve te weten, op die lichtbron van genade te wijzen, welke ook voor hén toegankelijk was. Doch wij willen het hemzelven laten vertellen. Hij zegt, in een brief van 1858 aan het Londensche Zendingsgenootschap, dat hij van zijn twaalfde jaar af reeds begon na te denken over zijn zondigen staat en dat de begeerte bij hem opkwam in zich dien geestelijken staat te verwezenlijken, die voortvloeit uit de Waarheid, als zij zetelt in het hart. Doch hij schrikte er voor terug om het vrijwillige

Sluiten