Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slaven had men niet meer en mocht men niet houden: tóch moest het werk gedaan worden. En zoo dwongen zij de naturellen voor hen te arbeiden voor geen of nagenoeg geen loon. De Boer was, evenals hij zulks in zijn Hijbei beschreven vond, er van overtuigd dat God ook hém thans het „beloofde land" had ingeleid en dat het hem als een „eeuwige erfenis" was toebedeeld. En, evenals bij de kinderen Israëls, moesten de stammen worden uitgeroeid, tenzij zij zich onderwierpen en dienstplichtig werden. Hij kon en mocht dus niet dulden dat Engelsche invloed, en Engelsche wapenen in handen van deze „dienstplichtigen", zouden komen afbrokkelen en verkorten wat hij als zijn „erfenis" beschouwde.

En hier komen wij nu op het verschil van opvatting terug, gepaard met de anti-En gels ch gezindheid aan den kant der Boeren, die wel noodwendig tot een botsing aanleiding moesten geven tusschen Livingstone en hen. De zendeling, die alles wat naar slavernij zweemde — wij kennen reeds zijn sterk ontwikkeld onafhankelijkheidsgevoel als een bepaalde karaktertrek — als beslist uit den booze beschouwde; die het juist en vooral aan de slavernij toeschreef dat de Kaffers en Hottentotten geworden waren wat zij waren, — kón niet dulden dat de over het geheel zachtmoedige, rustige en vreedzame Betsjoeanen-stammen, in wie hij „menschen" zag en geen „tot slaaf geboren creaturen," in een toestand werden gehouden die vrij wel grensde aan slavernij, naar het hem voorkwam. De Boeren

Sluiten